Article Information

Author:
Rob van Houwelingen1,2

Affiliations:
1Theologische Universiteit Kampen, The Netherlands

2Department of New Testament Studies, Faculty of Theology, University of Pretoria, South Africa

Note: Dr P.H.R. van Houwelingen, hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit Kampen (NL), geassocieerd onderzoeker van Prof. Dr Andries G. van Aarde bij de afdeling Nieuwe Testament van de theologische faculteit aan de Universiteit van Pretoria (ZA) en buitengewoon hoogleraar aan de North-West University te Potchefstroom (ZA).

Correspondence to:
Rob van Houwelingen

Email:
phrvanhouwelingen@tukampen.nl

Postal address:
Broederweg 15, 8261 GS Kampen, The Netherlands

Dates:
Received: 05 Feb. 2015
Accepted: 04 Mar. 2015
Published: 13 July 2015

How to cite this article:
Van Houwelingen, P.H.R., 2015, ‘“De God van de vrede in het Nieuwe Testament’, HTS Teologiese Studies/Theological Studies 71(1), Art. #2904, 7 pages. http://dx.doi.org/10.4102/hts.v71i1.2904

Copyright Notice:
© 2015. The Authors. Licensee: AOSIS OpenJournals.

This is an Open Access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License, which permits unrestricted use, distribution, and reproduction in any medium, provided the original work is properly cited.

‘De God van de vrede’ in het Nieuwe Testament
In This Original Research...
Open Access
Abstract
Introductie
Achtergronden
1 Tessalonicenzen 5:23
Romeinen 15:33
Romeinen 16:20
Filippenzen 4:7 en 9
Kolossenzen 3:15
Hebreeën 13:20–21
Conclusies
   • Historisch-literaire setting
   • Bijbels-theologische betekenis
   • Tegenstrijdige belangen
Literatuurverwijzingen
Footnotes
Abstract

‘The God of peace’ in the New Testament. Why does the New Testament use the expression ‘the God of peace’ and what is the meaning of this phrase? In the Old Testament, the God of Israel is often connected with peace, but he is never called ‘the God of peace’. Not until the Hellenistic period is this expression sporadically found in Judaism (once in the Testaments of the Twelve Patriarchs and once in Philo). As for the biblical Umwelt, the gods of the ancient Near East were not very peace-loving, and in the perception of Greco-Roman culture the god of war, Arès/Mars, as one of the twelve Olympians was much more prominent than Eirènè/Pax. However, the expression ‘the God of peace’ is found several times in the Corpus Paulinum and once in the letter to the Hebrews. This article investigates all New Testament texts that have this formula, suggesting that the apostle Paul could be responsible for the wording. In conclusion, Paul states that the God of Israel desires to establish a definitive peace in his creation through the crucifixion and resurrection of Jesus Christ and by finally defeating all powers of evil. This apostolic message further indicates that Christians are supposed to be bearers of peace, promoting a peaceful atmosphere in their environment and in the world.

Introductie

Wat heeft God met vrede te maken? Die vraag lijkt veel gemakkelijker te beantwoorden dan de vraag wat de God van de Bijbel te maken heeft met geweld of met macht. We willen maar al te graag geloven in een God van de vrede. Toch komt die uitdrukking, ‘de God van de vrede’, als zodanig niet vaak voor in de Bijbel. In het Oude Testament helemaal niet, en in het Nieuwe Testament slechts een paar keer in het Corpus Paulinum en éé n keer in de brief aan de Hebreeën. In de bijbelse Umwelt ontdekken we dat de godenwereld van het Oude Nabije Oosten bepaald niet als vredelievend te boek staat, terwijl in de beleving van de Grieks-Romeinse cultuur de oorlogsgod Arès/Mars als een van de twaalf Olympische goden veel prominenter aanwezig was dan een vredesgod. Zodoende rijst de vraag: waarom komt het Nieuwe Testament met deze formulering en wat is de betekenis daarvan?

Om deze onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, zal ik eerst de achtergronden bespreken van de uitdrukking ‘de God van de vrede’, door na te gaan hoe daar in de tijd van het Oude Testament, in het hellenistische jodendom en in de Grieks-Romeinse wereld over gedacht werd. Vervolgens bespreek ik alle plaatsen uit het Nieuwe Testament waar gesproken wordt over ‘de God van de vrede’. Daarbij zal het Grieks uit de standaard teksteditie van Nestle-Aland telkens worden voorzien van een eigen vertaling. Zo komen vijf plaatsen uit het Corpus Paulinum aan de orde. Die verdienen meer aandacht dan ze vaak krijgen (Swartley 2006:210).

Ik vermoed dat de apostel Paulus deze uitdrukking heeft gesmeed, omdat hij in de Romeinenbrief vergelijkbare genitiefverbindingen gebruikt wanneer hij over God schrijft: de God van volharding en bemoediging, van de hoop, van liefde en vrede.1 Zo heeft Paulus Israëls God leren kennen in Jezus de Messias. Voor alle christenen geldt de geloofsuitspraak: ‘Wij leven in vrede met God door Jezus Christus onze Heer’ (Rom 5:1), waarmee bedoeld is dat gelovigen vrije toegang hebben tot God en zijn gunstbewijzen. Het ligt in dezelfde lijn, dat de anonieme brief aan de Hebreeën (die waarschijnlijk niet door Paulus geschreven is) alle lezers de volgende zegenwens meegeeft: ‘Moge de God van de vrede … u toerusten met al het goede, zodat u zijn wil kunt doen’ (Heb 13:20–21). Dat is de laatste tekst uit het Nieuwe Testament die ik zal bespreken, alvorens afsluitende conclusies te trekken.

Achtergronden

Als het Oude Testament, maar ook de verzameling geschriften uit Qumran, spreekt over de God van de waarheid, de rechtvaardigheid, de barmhartigheid enzovoort, dan wordt daarmee bedoeld dat Hij de waarheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid zelve is en zich dan ook bewijst als waarachtig, rechtvaardig en barmhartig. De God van Israël laat zich immers kennen door zijn daden. Hoewel we in het Oude Testament nergens expliciet lezen over ‘de God van de vrede’, blijkt de HEER wel telkens degene te zijn die bij uitstek sjalom sticht en schenkt.

Enkele voorbeelden kunnen dit verduidelijken:

Leviticus 26:6: De Heer belooft: als jullie je aan mijn geboden houden en ze naleven, zal Ik rust en vrede geven in het land.

Rechters 6:24: Gideon bouwt een altaar en noemt het: ‘de HEER is vrede’ (JHWH sjaloom in het Hebreeuws; de LXX heeft εἰρήνη κυρίου) in reactie op de geruststellende woorden van de HEER uit vers 23: ‘vrede zij u, vrees niet, u zult niet sterven’.

Psalm 29:11: De dichter eindigt met de stellige verwachting: ‘de HEER zal zijn volk zegenen met vrede’ (hierbij is te denken aan de Aäronitische priesterzegen, Num 6).

Jesaja 9:5: De profetische naam van het Kind dat geboren wordt is ‘vredevorst’ (sar-sjaloom in het Hebreeuws), en aan zijn vrede zal geen einde komen. Desnoods maakt God met geweld een eind aan de onderdrukking van zijn volk, aldus Jesaja (vers 3–4: de vijand wordt verbrijzeld en verbrand).

Jesaja 26:12: Het volk spreekt de stellige verwachting uit: ‘HEER, U zult voor ons vrede beschikken’ (terecht heeft de Herziene Statenvertaling hier een toekomstige tijd).

In het hellenistische jodendom treffen we voor zover bekend éé n tekst aan die expliciet de God van de vrede noemt, namelijk in de Testamenten van de Twaalf Patriarchen:

Kinderen, houd je aan Gods geboden. Laat boosheid varen en haat de leugen. Spreek waarheid met je naaste (cf. Ef 4:25). Wees geen ruziemakers, maar leef in vrede, omdat jullie de God van de vrede hebben (dat wil zeggen: omdat jullie God een God van vrede is).2 (Testament van Dan 5:2)

Aan het slot van zijn traktaat over de Decaloog wijst Philo van Alexandrië erop dat de Tien Woorden niet eindigen met strafbepalingen voor overtreders. De Schepper is ook Wetgever, die wil dat mensen zijn heilzame geboden uit vrije overtuiging in acht nemen:

Want het is passend … dat aan de grote Koning de gemeenschappelijke veiligheid van alles wordt toegekend. Dat Hij de vrede bewaakt en alle goede vruchten van de vrede aan allen overal altijd rijkelijk en overvloedig verschaft. Want inderdaad is God de Heer van de vrede en zijn zijn ondergeschikten aanvoerders in de strijd. (De Decalogo 178, vertaling Ledegang 2011)3

Wat betreft de Grieks-Romeinse wereld, zoals gezegd was er geen god van de vrede onder de twaalf Olympiërs. Wel werd de godin Eirènè in Athene vereerd na de vredesconferentie met Sparta in 371 voor Chr. Op de agora stond een beeld van deze godin met het kind Ploutos in haar armen, waarmee werd uitgedrukt dat vrede voeding geeft aan welvaart.4 Toch lijkt Eirènè niet dicht bij het dagelijkse leven van de gewone man of vrouw te staan. Zij fungeert vooral als personificatie van politieke stabiliteit in Athene. Vrede is verbonden met de Griekse polis.

Deze politieke invulling van vrede wordt in de vroege keizertijd opgepakt door de Romeinen via het idee van de ‘Pax Augusta’, de vrede die heerste onder het bewind van Augustus. Een merkwaardig bouwwerk was het vredesaltaar in Rome (‘Ara Pacis’, ingewijd op 30 januari van het jaar 9 voor Chr.): de talrijke afbeeldingen en versieringen dragen het idee van een gouden eeuw uit. Een bijna tijdloos ceremonieel wordt getoond, waarbij Augustus met zijn familie in de hoofdrol optreedt. Dit alles schept een onwerkelijke sfeer, bijna ontheven aan ruimte en tijd. Aldus het zelfbeeld van het Romeinse imperium ten tijde van keizer Augustus (Höcker 2014; zie verder Simon 1988; Wright 2013:289–324).5

Bedacht moet worden dat Rome met ijzeren hand regeerde. Vrede werd vaak met geweld gevestigd en gehandhaafd. Juist deze imperialistische politiek schiep in het Romeinse Rijk de basis voor een bestendige vrede (Punt 2012:35–36).

1 Tessalonicenzen 5:23

Αὐτὸς δὲ ὁ θεὸς τῆς εἰρήνης ἁγιάσαι ὑμᾶς ὁλοτελεῖς, καὶ ὁλόκληρον ὑμῶν τὸ πνεῦμα καὶ ἡ ψυχὴ καὶ τὸ σῶμα ἀμέμπτως ἐν τῇ παρουσίᾳ τοῦ κυρίου ἡμῶν Ἰησοῦ Χριστοῦ τηρηθείη.

[Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus.]

Het thema vrede speelt een belangrijke rol in het laatste hoofdstuk van 1 Tessalonicenzen, waarschijnlijk de oudste brief van Paulus die bewaard gebleven is en gericht tot een gemeente die hij voortijdig had moeten verlaten. Vers 2 waarschuwde tegen het zelfbedrog van mensen die de mond vol hebben over vrede en veiligheid. Maar het oordeel komt eraan, aldus Paulus. Onduidelijk blijft of de vrede hier politiek getint is en verwijst naar de Pax Romana (met pax et securitas als vrede en rechtszekerheid: Wengst 1986:99); maar in ieder geval gaat het om een combinatie van vrede en veiligheid in de samenleving, niet om vrede binnen de kerk. De waarschuwing van Paulus tegen valse gerustheid staat in de lijn van de oudtestamentische profeten (Wanamaker 1990:180). In vers 13 gaat het wel om ‘binnenkerkelijke’ vrede, wanneer Paulus de gemeente oproept in vrede met elkaar te leven (met de christelijke vredeskus als lichamelijke expressie daarvan, vers 26). Waarschijnlijk staat deze oproep in het kader van het vereiste respect voor de voorgangers, dat in de verzen 12–13 aan de orde is.6 Niet een concurrentiemodel, maar een harmoniemodel is typerend voor de omgang binnen de christelijke gemeente (Van Houwelingen [2002] 2011:155).

Levensheiliging is wat Paulus zijn lezers toewenst als iets dat de God van de vrede hun kan schenken (ἁγιάσαι). Ook de bede uit 1 Tessalonicenzen 3:11–13 betrof de christelijke levensheiliging (ἁγιωσύνη). Zoals Wiles heeft laten zien, sluiten deze twee ‘wish-prayers’ op elkaar aan. Ze beginnen allebei met αὐτὸς δὲ; dit betekent dat levensheiliging van de heilige God zelf moet komen. Beide ‘wish-prayers’ hebben %d2%ook een eschatologische dimensie: de lezers moeten zuiver en heilig voor God staan als Jezus komt; geheiligd in alle opzichten, zodat ze compleet – naar geest, ziel en lichaam – bewaard blijken te zijn (Wiles 1974:45–71).7 Levensheiliging maakt deel uit van de vrede die God aan de pasbekeerde christenen in Tessalonica wil geven. Het hoopvolle perspectief dat uit deze ‘wish-prayers’ blijkt, past goed bij de eschatologische sfeer van zowel 1 als 2 Tessalonicenzen.

2 Tessalonicenzen 3:16 spreekt over ‘de Heer van de vrede’, met wie Jezus Christus is bedoeld: Αὐτὸς δὲ ὁ κύριος τῆς εἰρήνης δῴη ὑμῖν τὴν εἰρήνην διὰ παντὸς ἐν παντὶ τρόπῳ. ὁ κύριος μετὰ πάντων ὑμῶν [Moge de Heer van de vrede zelf u vrede geven, altijd en op elke manier. De Heer zij met u allen]. Het past bij de tendens in 2 Tessalonicenzen om aan Christus kwaliteiten en activiteiten toe te schrijven die elders aan de Vader worden toegeschreven, aldus Weima. En als Paulus schrijft ‘Moge de God/Heer van de vrede met u zijn’ is dat volgens hem het equivalent van ‘Moge de God/Heer van de vrede u vrede geven’, precies de formulering van 2 Tessalonicenzen (Weima 1994:91). Het voorop geplaatste αὐτὸς geeft nadruk: bedoeld is de Heer van de vrede in hoogsteigen persoon. Waarschijnlijk is er een relatie tussen deze slotwens en de vrede die de lezers in de aanhef van beide brieven toegewenst werd (Van Houwelingen [2002] 2011:234). Dat een brief als 2 Tessalonicenzen door het thema vrede wordt omsloten, wijst erop dat de door Paulus gevreesde onenigheid binnen de gemeente alleen kan worden tegengegaan door samen te leven in de vrede van de Heer.

Romeinen 15:33

Ὁ δὲ θεὸς τῆς εἰρήνης μετὰ πάντων ὑμῶν, ἀμήν.

[De God van de vrede [is/zij] met u allen. Amen.]

Paulus schrijft een uitvoerige brief aan de christelijke gemeente in Rome, omdat hij voorlopig niet in de gelegenheid is haar te bezoeken. Het blijft echter zijn diepste wens om ook in de hoofdstad van het Romeinse rijk het evangelie te verkondigen (Rom 1:10–15). Hoofdstuk 15 van deze brief eindigt met een welgemeende vredegroet voor alle lezers, waarmee Paulus de fysieke afstand overbrugt. Hebben we hier te maken met de slotgroet van de brief als geheel, zodat hoofdstuk 16 een aanhangsel of een aparte brief zou zijn? Voor deze gedachte is echter geen overtuigend bewijs in de teksttraditie. Bovendien: noch vredeswensen, noch ‘God zij met u’ formules functioneren in andere brieven uit het Corpus Paulinum als briefslot (Lampe 1987:126).8

‘De God van de vrede zij met u allen’ is, aldus Delling, een combinatie van twee bekende oudtestamentische wendingen: ‘God zij met u’ en ‘vrede met u’ (Delling 1975:78–79). Iets dergelijks vinden we in Galaten 6:16: ‘vrede over hen en barmhartigheid over het Israël van God’. Daarmee suggereert Paulus dat het God is die zowel vrede als barmhartigheid geeft en garandeert (cf. Ps 125:5 en 128:6: ‘vrede over Israël!’). Vergelijkbare genitiefverbindingen bij Paulus, waarmee God op een bepaalde manier wordt gekwalificeerd, zijn: ‘de God van volharding en bemoediging’ (Rom 15:5); ‘de God van de hoop’ (Rom 15:13); ‘de God van alle παράκλησις’ (2 Kor 1:3); ‘de God van liefde en vrede’ (2 Kor 13:11). En in 1 Petrus 5:10 lezen we: ‘de God van alle χάρις heeft u geroepen om deel te krijgen aan zijn eeuwige luister’.

Volgens Haacker kan het predicaat ‘vrede’ in Romeinen 15:33 veroorzaakt zijn door de voorafgaande toespelingen op gevaren en tegenstellingen in de gemeente van Rome. Tegelijk versterkt Paulus hiermee een motief dat als rode draad door de Romeinenbrief heen loopt: vrede met God en vrede met elkaar (Haacker 1999:315). Door het geloof leven christenen in vrede met God (Rom.5:1) en heerst er onderlinge vrede in de gemeente (Rom 14:17 en 19). Dit zal ook doorwerken naar buiten toe, in de samenleving: ‘Stel, voorzover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven’ (Rom 12:18; cf. Heb 12:14: ‘streef ernaar in vrede te leven met allen’). Op die manier krijgt de vrede een steeds grotere reikwijdte. Christenen dragen immers de vrede uit (Matt 5:9 en 14–16; 1 Pet 2:12).

Ook zijn tweede brief aan de Korintiërs sluit Paulus af met een groet waarin God de bron van alle vrede is: Λοιπόν, ἀδελφοί, χαίρετε, καταρτίζεσθε, παρακαλεῖσθε, τὸ αὐτὸ φρονεῖτε, εἰρηνεύετε, καὶ ὁ θεὸς τῆς ἀγάπης καὶ εἰρήνης ἔσται μεθ’ ὑμῶν [Ten slotte, broeders en zusters, wees gegroet! Laat u terechtbrengen, laat u aansporen, wees eensgezind, leef in vrede – dan zal de God van liefde en vrede met u zijn] (2 Kor 13:11).

Dat de christenen in Korinte God kennen als de God van liefde en vrede, vormt een solide basis voor alle oproepen uit de eerste helft van het vers en waarborgt dat deze oproepen niet onuitvoerbaar zijn. Paulus schreef daar onder andere: ‘leef in vrede [met elkaar]’, want hij had verdeeldheid binnen de gemeente gesignaleerd (2 Kor 12:20). In de corresponderende zegen wordt nu een werkwoordsvorm aangevuld die voor de toekomst goddelijke vrede onder de Korintiërs garandeert: ‘God zal met u zijn’ (ὁ θεὸς … ἔσται μεθ’ ὑμῶν; zo ook in Fil 4:9).9

In zijn eerste brief had Paulus al aanwijzingen gegeven over de orde tijdens de samenkomsten van de Korintiërs. Niet vanwege het belang van ordelijkheid op zichzelf, maar om de vrede te dienen. Daarvoor geeft hij als diepste motivatie: ‘want God is niet een God van wanorde maar van vrede’ (1 Kor 14:33: οὐ γάρ ἐστιν ἀκαταστασίας ὁ θεὸς ἀλλ’ εἰρήνης). Wie de God van de vrede dient, mag geen wanorde toelaten tijdens de samenkomsten (Hollander 2007:74).

Romeinen 16:20

ὁ δὲ θεὸς τῆς εἰρήνης συντρίψει τὸν σατανᾶν ὑπὸ τοὺς πόδας ὑμῶν ἐν τάχει.

[De God van de vrede zal weldra de Satan onder uw voeten verpletteren.]

Niet alleen Romeinen 15, maar ook Romeinen 16 heeft de uitdrukking ‘de God van de vrede’. Alsof Paulus tegen het eind van zijn brief de lezers in het verre Rome met verdubbelde kracht op het hart wil drukken dat zij niet aan zichzelf overgeleverd zijn. Gods sjalom wordt werkelijkheid!

In de context van hoofdstuk 16 was sprake van mensen die tweedracht zaaien en argeloze christenen misleiden (verzen 17–18). Voor ‘misleiden’ wordt het Griekse werkwoord ἐξαπατᾶν gebruikt, dat past bij het duivelse bedrog of de misleiding die in het paradijs de oerzonde tot gevolg had (2 Kor 11:3; 2 Tim 2:14; cf. Rom 7:11). Probeerde men het in Romeinen 14–15 besproken meningsverschil tussen sterken en zwakken uit te buiten om dwaalleer te propageren? Paulus zou die bedreiging dan kunnen duiden als een satanische aanval op de gemeente.

Hoe dan ook, Gods vrede laat zich niet beperken tot verzoening tussen God en mensen, maar is nauw verbonden met de overwinning op alle vijandelijke machten, hier gepersonifieerd in de Satan zelf (elders is sprake van ‘heerschappij’, zie 14:17; 1 Kor 15:24). Weldra (ἐν τάχει), voegt Paulus er verwachtingsvol aan toe. Ook in 13:12 geeft de Romeinenbrief blijk van eschatologisch bewustzijn. ‘Dit is het ”weldra” van de profetie … dat in de zekerheid van het komen Gods reeds op de voleinding aller dingen anticipeert’ (Ridderbos [1959] 1977:351).

Overwonnen vijanden dienen volgens de Bijbel als voetbank voor de HEER, zoals Psalm 110 aangeeft (geciteerd in Hand 2:34; 1 Kor 15:25; Ef 1:20; Heb 1:13); vergelijk de geste van een Romeinse gladiator die zijn voet op de nek van de verslagen tegenstander zet. Maar in Romeinen 16 gaat het over de voeten van de gemeente (‘onder uw voeten’). Bij het uitschakelen van de Satan zal God het nageslacht van de vrouw betrekken, zoals Hij na de oerzonde in het paradijs beloofde in zijn oorlogsverklaring aan het adres van de slang en al diens nazaten (Gen 3:15). De grote Tegenstrever wordt onder de voet gelopen.

Het beeld van de voetbank, dat een vernederde tegenstander laat zien, wordt door Paulus gecombineerd met een ander beeld uit Psalm 110, dat een verpletterde tegenstander laat zien. In de christelijke gemeente gaat Psalm 91:13 in vervulling; wie onder protectie van de Almachtige staat, kan zelfs de boosaardige machten aan: ‘Leeuw en adder zul je vertrappen; roofdier en slang vermorzelen’ (cf. Luk 10:19; Mark 16:18). Ook in de Testamenten van de Twaalf Patriarchen vinden we de verwachting dat de HEER bij zijn komst in majesteit de Satan (Beliar genoemd) zal binden en aan zijn kinderen de macht zal geven om de boze geesten te ‘vertreden’ (Test.Levi 18:12: πατεῖν ἐπί τὰ πονήρὰ πνεύματα).10

Paulus gebruikt het werkwoord συντρίβειν: in stukken breken, verbrijzelen als aardewerk. In deze specifieke betekenis komt het slechts weinig in het Nieuwe Testament voor (Op 2:27, verwijzend naar Ps 2), maar des te vaker in de Septuagint. Het is daar een technische term voor het verpletteren van de vijand zoals in een heilige oorlog: de vijand wordt vernietigend verslagen, zijn macht wordt gebroken, hij wordt voorgoed verdreven (cf. Louw/Nida 1989 sub 19.39 maar vooral 39.53). Op die manier wordt συντρίβειν bijvoorbeeld vaak gebruikt in 1 Makkabeeën, waarbij het subject zowel goddelijk als menselijk kan zijn.11

Kortom, de HEER zal komen om de Satan te onderwerpen én te verpletteren. Maar hoe gewelddadig is de God van de vrede? Paulus gebruikt beeldtaal die in zijn tijd algemeen bekend was en die zijn Romeinse lezers aansprak. In deze éne eschatologische vredestekst lijkt de paradoxale boodschap van het boek Openbaring te zijn samengevat: God wil vrede, met alle geweld.12 En Hij laat de christelijke gemeente ‘voetstoots’ delen in zijn overwinning. Wij hoeven de vijand niet te identificeren, lijkt Paulus te willen zeggen. De Almachtige is de handelende persoon die afrekent met de Satan. Als wij onze weg gaan, achter Jezus Christus aan, zal God tot onze eigen verrassing alle kwade machten voor ons elimineren. Zo garandeert Hij een definitieve, onomkeerbare vrede.

Filippenzen 4:7 en 9

καὶ ἡ εἰρήνη τοῦ θεοῦ ἡ ὑπερέχουσα πάντα νοῦν φρουρήσει τὰς καρδίας ὑμῶν καὶ τὰ νοήματα ὑμῶν ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ.

ἃ καὶ ἐμάθετε καὶ παρελάβετε καὶ ἠκούσατε καὶ εἴδετε ἐν ἐμοί, ταῦτα πράσσετε· καὶ ὁ θεὸς τῆς εἰρήνης ἔσται μεθ’ ὑμῶν.

[Dan zal de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, uw hart en uw gedachten in Christus Jezus bewaren.

En breng in praktijk wat u geleerd en overgeleverd is, evenals wat u van mij hebt gehoord en gezien. Dan zal de God van vrede met u zijn.]

De gemeente in Filippi bevond zich in een ongemakkelijke positie, te midden van een omgeving die niet bepaald christen-vriendelijk was (Fil 1:27–30). Zelf zit Paulus gevangen wanneer hij deze brief schrijft (Fil 1:13–14). Dit alles kan in Filippi een gevoel van bezorgdheid en onvrede teweegbrengen. Wat Paulus zijn lezers echter bij herhaling aanbeveelt in Filippenzen 4:4–6 is: ‘wees verheugd’. Christenen kunnen diepe vreugde beleven vanwege de nabijheid van de Heer, die naar hun bidden en smeken luistert (een intertekstuele echo van Ps 145:18: ‘de HEER is allen nabij die Hem aanroepen’). Dit geloof verschaft hun de mentale ruimte om, ook in een vijandige omgeving, vriendelijkheid uit te stralen naar alle medemensen.

Over vers 7 schrijft Floor (2013) in zijn commentaar:

Bij het hart staat de vrede als een schildwacht op zijn post, zodat bezorgdheid en onrust niet kunnen binnensluipen. Het gemoedsleven en de gedachtenwereld worden op ons gebed door Gods vrede streng bewaakt. Het bewaken door de vrede geschiedt in Christus Jezus. Hij is bij wijze van spreken de citadel waarbinnen de gelovige bij de vrede van God bewaakt wordt. (p. 171; cf. Matter 1965:98–99; Fee 1995:411)

Vrede vormt in vers 7 een contrast met bezorgdheid; het is dus een persoonlijke vrede voor de Filippenzen. Daarbij sluit Paulus in vers 9 aan: God, die vrede is, zal zelf bij de gemeente aanwezig zijn.

Paulus gebruikt de toekomstige tijd, om een stellige verwachting uit te drukken: God zal met u zijn (ὁ θεὸς … ἔσται μεθ’ ὑμῶν; zo ook in 2 Kor 13:11), en wel onder alle omstandigheden, zodat zelfs in het lijden als christen vreugde te vinden is. Goddelijke vrede zal de Filippenzen in staat stellen te bedenken wat vers 8 noemt, en in het dagelijks leven te praktiseren zowel wat hun geleerd en overgeleverd is als wat ze van Paulus zelf gezien en gehoord hebben. Paulus wijst dus op de apostolische traditie en hij geeft het goede voorbeeld, maar dit werkt niet automatisch. Daarom verzekert hij zijn lezers van beveiliging door Gods vredesmacht; zij mogen verkeren in het gezelschap van degene die garant staat voor sjalom.

Kolossenzen 3:15

καὶ ἡ εἰρήνη τοῦ Χριστοῦ [var. τοῦ θεοῦ] βραβευέτω ἐν ταῖς καρδίαις ὑμῶν, εἰς ἣν καὶ ἐκλήθητε ἐν ἑνὶ σώματι· καὶ εὐχάριστοι γίνεσθε.

[En laat de vrede van Christus [var. van God] heersen in uw hart; daartoe bent u immers geroepen, als ledematen van éé n lichaam. Wees ook dankbaar.]

Vrede in het hart van alle gemeenteleden – Kolossenzen 3:15 ligt qua gedachte heel dicht tegen Filippenzen 4:7 en 9 aan. Alleen is het hier omgekeerd: niet de God van de vrede maar de vrede van Christus of van God. In de meerderheidstekst is in beide gevallen sprake van ‘de vrede van God’, maar Nestle-Aland leest ‘de vrede van Christus’. Deze lezing laat zich verklaren als aanpassing aan de vergelijkbare constructie ‘het woord van Christus’ waarmee vers 16 begint. Vermelding van de messiaanse vrede zou uniek zijn voor het Corpus Paulinum, waar het steeds God zelf is die als vredestichter optreedt. Dit vredesinitiatief vanuit de hemel past goed in de briefcontext van Kolossenzen. God sticht vrede door in Christus alle dingen met zich te verzoenen. Genade en vrede van komen dan ook bij God de Vader vandaan (Kol 1:2). De lezers worden opgeroepen te leven in vrede met God en ook in vrede met elkaar, door als kerkelijke gemeenschap éé n lichaam te vormen (Kol 1:18–20).

Williams wijst erop dat een sportmetafoor kan zijn gebruikt, namelijk van de scheidsrechter. Beschilderde vazen uit de oudheid beelden soms scheidsrechters af die met stokken zijn uitgerust om overtredingen van de spelregels te bestraffen. Hij vertaalt: ‘Let the peace of Christ umpire in your hearts’ (Williams 1999:271–272; zo ook Van Eck [2007] 2013:187). De Kolossenzen moeten de goddelijke vrede in het hart bewaren, die vrede moet ‘scheidsrechter zijn’, zodat alles in goede orde verloopt en tot een goed einde wordt gebracht. Waarschijnlijk is vooral gedacht aan het bevorderen van de eenheid in de gemeente, doordat de liefde als scheidsrechter toeziet op het naleven van de spelregels. Wat dat concreet betekent voor de onderlinge omgang, staat beschreven in de verzen 12–14: wees verdraagzaam, vergevingsgezind, liefdevol en dankbaar.13 Men is immers in de christelijke gemeente tot vrede ‘geroepen’ – een roeping om de vrede te bewaren (1 Kor 7:15). Zo’n levenshouding van liefde en vrede is een reactie op Gods goedheid.

Hebreeën 13:20–21

Ὁ δὲ θεὸς τῆς εἰρήνης, ὁ ἀναγαγὼν ἐκ νεκρῶν τὸν ποιμένα τῶν προβάτων τὸν μέγαν ἐν αἵματι διαθήκης αἰωνίου, τὸν κύριον ἡμῶν Ἰησοῦν, καταρτίσαι ὑμᾶς ἐν παντὶ ἀγαθῷ εἰς τὸ ποιῆσαι τὸ θέλημα αὐτοῦ, ποιῶν ἐν ἡμῖν τὸ εὐάρεστον ἐνώπιον αὐτοῦ διὰ Ἰησοῦ Χριστοῦ, ᾧ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας [τῶν αἰώνων], ἀμήν.

[Moge de God van de vrede, die onze Heer Jezus, de grote herder van de schapen, door het bloed van een eeuwig verbond bij de doden vandaan naar boven heeft gebracht, u toerusten met alle goeds, om zijn wil te doen. Moge Hij in ons tot stand brengen wat Hem welgevallig is door Jezus Christus. Hem zij de glorie tot in alle eeuwigheid! Amen.]

De enige plaats in het Nieuwe Testament buiten het Corpus Paulinum waar het gaat over ‘de God van de vrede’ is de zegenwens uit Hebreeën 13. Goddelijke vrede is ondenkbaar zonder Jezus Christus, wiens werk als hemelse hogepriester zoveel nadruk krijgt in deze brief, bedoeld als bemoediging voor een groep Joodse christenen in de crisis. Melchisedek, de priester-koning uit Genesis 14, wees al vooruit naar Jezus Christus. Hij was namelijk een βασιλεὺς δικαιοσύνης en βασιλεὺς εἰρήνης, een rechtvaardige en vredevolle koning (Heb 7:2; volgens Jes 9:5–6 en 32:17 gaan messiaanse vrede en recht hand in hand). Koninklijke gerechtigheid leidt tot vrede.

Gelovigen die de blik gericht houden op Jezus Christus moeten ernaar streven in vrede te leven met allen (Heb 12:14). Vrede als christelijke levenshouding, juist in crisistijd. Maar het betoog eindigt met een zegenwens die verwijst naar God zelf, in wie alle vrede verankerd ligt. Het is God, aldus de boodschap van Hebreeën, die ons door het unieke offer van Jezus Christus toegang heeft verschaft tot het hemelse heiligdom.14

In deze zegenwens wordt Jezus Christus opmerkelijk genoeg betiteld als ‘de grote herder van de schapen’. Mogelijk is dit een zinspeling op de woorden van deze goede herder, die beloofde zijn leven te geven voor de kudde (Joh 10:1–16). Hij offerde zich helemaal op en Hij deed dat uit vrije wil – motieven die in de brief aan de Hebreeën terugkomen. Tegen die achtergrond is het opvallend dat alleen in de zegenwens van hoofdstuk 13 aan de opstanding gerefereerd wordt: de God van de vrede heeft deze herder ‘bij de doden vandaan naar boven gebracht’ (ἀναγαγὼν ἐκ νεκρῶν; een nogal plastische formulering, die ook voorkomt in Rom 10:7).15 Moge Hij u toerusten met alle goeds, aldus de slotwens van de brief aan de Hebreeën, en in ons tot stand brengen wat Hem welgevallig is.

De impact hiervan is duidelijk: onze goede herder heeft de dood overleefd en leidt ons naar het leven! Door Jezus Christus uit het graf omhoog te trekken, bracht God een allesomvattende vrede tot stand. Om het klassieke commentaar van Westcott (1892) te citeren:

It is through God, as the author and giver of peace, that man is able to find the harmony which he seeks in the conflicting elements of his own nature, in his relations with the world, in his relations to God himself. (p. 447)

Conclusies

Waarom komt het Nieuwe Testament met de formulering ‘de God van de vrede’ en wat is de betekenis daarvan? De conclusies uit het voorgaande onderzoek kunnen in twee categorieën worden verdeeld, namelijk wat betreft de historisch-literaire setting en wat betreft de bijbels-theologische betekenis.

Historisch-literaire setting
  1. De uitdrukking ‘de God van de vrede’ is afgeleid van het Oude Testament, waar God en sjalom nauw met elkaar verbonden zijn, maar als zodanig daar niet te vinden; pas in het hellenistische jodendom wordt sporadisch gesproken over ‘de God van de vrede’.
  2. In de Grieks-Romeinse wereld had de vredesgodin Eirènè/Pax, die - anders dan de oorlogsgod Arès/Mars ˗ niet tot de twaalf Olympische goden behoorde, vooral een politieke betekenis, zodat zij ver van de gewone man of vrouw af stond.
  3. Wat betreft het Nieuwe Testament wordt vrijwel uitsluitend in de brieven van Paulus gesproken over ‘de God van de vrede’; de brief aan de Hebreeën kent deze uitdrukking eveneens, mogelijk via de paulinische verkondiging.
  4. Juist Paulus brengt naar voren dat Jezus Christus onze vrede is (Ef 2:14; zie Gorman 2013), zo blijkt duidelijker hoe God vrede sticht dan in het Oude Testament of in het hellenistische jodendom en zo komt Gods vrede dichterbij dan in de Grieks-Romeinse wereld.
  5. Als Paulus voor de formulering ‘de God van de vrede’ verantwoordelijk is, wilde hij daarmee de God van Israël, die zijn vredesmissie in de wereld gerealiseerd heeft via Jezus Christus, kwalificeren als bron en garantie van alle sjalom.
Bijbels-theologische betekenis

De uitdrukking ‘de God van de vrede’ duidt erop dat God definitief vrede sticht in zijn schepping door middel van de kruisdood en opstanding van Jezus Christus. Deze vrede heeft zowel een verticale als een horizontale dimensie: het gaat om herstel van de relatie met God én mensen. En Gods sjalom tilt mensen boven de omstandigheden uit.

Op welke manier wordt die vrede bereikt en veiliggesteld?

  • Door verzoening als goddelijke machtsdaad die de oorspronkelijke harmonie terugbrengt in de schepping en een nieuw wereldbestel mogelijk maakt – sjalom is de zegen en de garantie van Gods persoonlijke aanwezigheid.
  • Door het liefdevol aanvaarden van een diversiteit aan medechristenen in het éne lichaam van Christus, de schaapskudde van de goede Herder – christenen zijn vrededragers bij uitstek, hetgeen ook doorwerkt in de samenleving.
  • Doordat God alle vredesbedreigende tegenkrachten, uiteindelijk ook de Satan zelf, compleet zal uitschakelen en de christelijke gemeente de overwinning in de schoenen zal schuiven. Dan wordt het voorgoed vrede op aarde, met een duurzame Pax Christi.
Tegenstrijdige belangen

De auteur verklaart geen financiële of persoonlijke belangen te hebben die hem ongepast kunnen hebben beïnvloed bij het schrijven van dit artikel.

Literatuurverwijzingen

Baarlink, H., 1989, Romeinen: Een praktische bijbelverklaring (tekst & toelichting), deel II, Kok, Kampen.

Delling, G., 1975, ‘Die Bezeichnung “Gott des Fiedens” und ähnliche Wendungen in den Paulusbriefen’, in E.E. Ellis & E. Gräβer (eds.), Jesus und Paulus: Festschrift für Werner Georg Kümmel zum 70. Geburtstag, pp. 76–84, Vandenhoeck & Ruprecht, Götttingen.

Fee, G.D., 1995, Paul's Letter to the Philippians, Eerdmans, Grand Rapids, MI. (NICNT).

Floor, L., [1998] 2013, Filippenzen: Een gevangene over het navolgen van Christus, vijfde druk, Kok, Kampen. (CNT-3).

Gorman, M.J., 2013, ‘The Lord of peace: Christ our peace in Pauline theology’, Journal for the Study of Paul and His Letters 3(2), 219–253.

Haacker, K., 1999, Der Brief des Paulus an die Römer, ThHK, Evangelische Verlagsanstalt, Leipzig.

Höcker, Ch., 2014, ‘Ara Pacis Augustae’, in H. Cancik & H. Schneider (eds.), Brill's New Pauly, Antiquity volumes, Brill Online.

Hollander, H.W., 2007, 1 Korintiërs III: Een praktische bijbelverklaring (tekst & toelichting), Kok, Kampen.

Jewett, R., 2007, Romans: A commentary, Hermeneia, Augsburg Fortress, Minneapolis, MN.

Keazirian, E.W., 2014, Peace and peacemaking in Paul and the Greco-Roman world, Peter Lang, New York, NY. (Studies in Biblical Literature 145).

Lampe, P., 1987, Die stadtrömischen Christen in den ersten beiden Jahrhunderten: Untersuchungen zur Sozialgeschichte, Mohr Siebeck, Tübingen. (WUNT II 18).

Louw, J.P. & Nida, E.A. (eds.), 1989, Greek-English lexicon of the New Testament based on semantic domains, vol. 1–2, Bible Society of South Africa, Cape Town.

Matter, H.M., 1965, De brief aan de Philippenzen en de brief aan Philémon, Kok, Kampen. (CNT-2).

Philo van Alexandrië, 2011, Over de Tien Woorden (De Decalogo): Ingeleid, vertaald en toegelicht door dr. F. Ledegang, Damon, Budel.

Punt, J., 2012, ‘Violence in the New Testament and the Roman Empire: Ambivalence, othering, agency’, in P.G.R. de Villiers & J.W. van Henten (eds.), Coping with violence in the New Testament, pp. 23–39, Brill, Leiden. (STAR–series 16). http://dx.doi.org/10.1163/9789004221055_003

Ridderbos, H., [1959] 1977, Aan de Romeinen, tweede ongewijzigde druk, Kok, Kampen. (CNT-2).

Ridderbos, H., 1960, Aan de Kolossenzen, Kok, Kampen. (CNT-2).

Simon, E., 1988, Eirene und Pax: Friedensgöttinnen in der Antike, F. Steiner Verlag, Wiesbaden, Stuttgart.

Swartley, W.M., 2006, Covenant of peace: The missing peace in New Testament theology and ethics, Eerdmans, Grand Rapids, MI.

Van Bruggen, J., 1970, Het raadsel van Romeinen 16, De Vuurbaak, Groningen.

Van Eck, J., [2007] 2013, Kolossenzen en Filemon: Weerbaarheid en recht, tweede druk, Kok, Kampen. (CNT-3).

Van Houwelingen, P.H.R., [2002] 2011, Tessalonicenzen: Voortgezet basisonderwijs, derde herziene druk, Kok, Kampen. (CNT-3).

Van Houwelingen, R., 2014, ‘Goddelijk geweld in het Nieuwe Testament, of: hoe het geweld niet uit God verdween’, Theologia Reformata 57(4), 343–351.

Wanamaker, C.A., 1990, The Epistles to the Thessalonians: A commentary on the Greek Text, Eerdmans, Grand Rapids, MI. (NIGTC).

Weima, J.A.D., 1994, Neglected endings: The significance of the Pauline letter closings, Sheffield Academic Press, Sheffield. (JSNT suppl. ser. 101).

Wengst, K., 1986, Pax Romana: Anspruch und Wirklichkeit – Erfahrungen und Wahrnehmungen des Friedens bei Jesus und im Urchristentum, Chr. Kaiser Verlag, München.

Westcott, B.F., 1892, The Epistle to the Hebrews: The Greek Text with notes and essays, MacMillan, London.

Wiles, G.P., 1974, ‘Function of the wish-prayers in I Thessalonians’, in Paul's intercessory prayers: The significance of the intercessory passages in the Letters of St. Paul, pp. 45−71, Cambridge University Press, Cambridge. http://dx.doi.org/10.1017/CBO9780511555145.005

Williams, D.J., 1999, Paul's metaphors: Their context and character, Hendrickson, Peabody, MA.

Wright, N.T., 2013, Paul and the faithfulness of God, Fortress Press, Minneapolis, MN.

Footnotes

1. In het Grieks kan de genitief op verschillende manieren gebruikt worden. In dit geval zou de genitiefverbinding kwalitatief bedoeld kunnen zijn: ‘de vredevolle God’, of explicatief: ‘de God die vrede is’. In beide gevallen wordt geïmpliceerd dat deze God ook vrede bewerkt. Vrede is wezenlijk voor Israëls God (cf. Keazirian 2014).

2. Grieks: ἔχοντες τὸν θεὸν τῆς εἰρήνης. In de Testamenten van de Twaalf Patriarchen komt verschillende keren een ‘engel van de vrede’ voor (Test.Dan 6:2 en 5; Test.Aser 6:5; Test.Benjamin 6:1). Deze vredesengel beschermt Israël tegen de vijand die kwaad in de zin heeft (zoals de Satan in Rom 16:20).

3. Grieks: πρύτανις εἰρήνης. Met term πρύτανις, magistraat, wordt in het Grieks meestal de hoogste overheid aangeduid. De vertaler heeft deze term weergegeven met ‘Heer’.

4. Deze informatie dank ik aan collega Riemer Faber, directeur van het Waterloo Institute for Hellenistic Studies in Canada. Zie voor beelden van Eirènè/Pax uit de oudheid: http://www.theoi.com/Ouranios/HoraEirene.html; http://www.metmuseum.org/toah/works-of-art/06.311. De Ara Pacis bevindt zich tegenwoordig in het gelijknamige museum:http://en.arapacis.it%d1%

5. Zie over de terminologie van Pax Augusta en Pax Romana, maar ook over de schaduwkanten van het Romeinse imperium: Wengst (1986:19–71). Voor de een was het een tijd van vrede, voorspoed en gerechtigheid, maar voor de ander een tijd van onderdrukking, ellende en tirannieke willekeur.

6. Sommige Griekse manuscripten, waaronder P30 en de codex Sinaiticus, lezen dan ook niet ἐν ἑαυτοῖς, ‘onder elkaar’, maar ἐν αὐτοῖς: ‘met hen’.

7. Ook in 1 Tessalonicenzen 4:3–7 is levensheiliging een belangrijk thema.

8. Er is wel een niet-paulinische uitzondering: 1 Petrus 5:14. Zie ook Van Bruggen (1970).

9. Ook de uitdrukking ‘God van liefde’, die verder nergens in de Bijbel voorkomt, is vermoedelijk een formulering van Paulus.

10. Zie verder Baarlink (1989:119); Jewett (2007:994). Ook het treden van de perskuip, een bijbels beeld voor de uitoefening van Gods eschatologische toorn, impliceert het nodige voetenwerk (Op 14:19–20; 19:15, verwijzend naar Jes 63:1–6).

11. Twee markante voorbeelden kunnen dit illustreren. 1 Mak 3:23: ‘Meteen na deze woorden deed hij [Judas] een verrassingsaanval, en Seron en zijn legermacht werden volkomen verpletterd.’ 1 Mak 4:10–11: ‘Laten we de hemel aanroepen en vragen of hij ons goedgezind wil zijn en het verbond met onze voorouders gestand wil doen door dit leger vandaag nog voor onze ogen te verpletteren. Dan zullen alle volken weten dat er iemand is die Israël bevrijdt en redt.’

12. Tegen de exegetische consensus in, beschouwt Jewett vers 17–20a als een latere interpolatie, onder andere vanwege de scherpe toon die in vers 20 wordt aangeslagen en omdat de argumentatie ontbreekt (Jewett 2007:986–988). Maar Paulus haalt wel vaker onverwacht fel uit, bijvoorbeeld in zijn brieven aan de Korintiërs en de Galaten, en in Filippenzen 3 (Swartley 2006:210 noot 60). Zie over de relatie tussen God en geweld: Van Houwelingen (2014).

13. Is ‘Wees ook dankbaar’ een tussenwerping (cf. Heb 1:12; 2:7; 3:17; 4:2)? Als de vrede van Christus/van God naar beneden komt en de beslissingen neemt, past dankbaarheid naar omhoog (Ridderbos 1960:219).

14. Voor ‘verbondsbloed’, zie Zacharia 9:11 en Hebreeën 9:20. Het offer van Jezus Christus was een eenmalige bloedstorting waardoor het nieuwe en definitieve verbond werd ingewijd (Heb 10:5–18; 8:1–13). Vandaar dat hier gesproken wordt over het bloed van een eeuwig verbond.

15. In 12:2 staat de enige verwijzing naar het kruis in Hebreeën.



Crossref Citations

No related citations found.